Rekenen in de 21e eeuw

In 1997 studeerde ik, Miranda, af aan de lerarenopleiding in Doetinchem, Nederland. Toen was ik het: leerkracht basisonderwijs. Volgens dat diploma kon ik alle kinderen van 4 t/m 12 jaar van onderwijs voorzien. Ik was de enige van dat jaar die nog niet gesolliciteerd had want ik voelde mij nog helemaal niet zo leerkracht. Ik had het gevoel dat ik nog heel veel te leren had. En dat was ook zo.  

Eén van de dingen die ik niet kon, was rekenen. Op de basisschool was het altijd al een drama. Uit mijn hoofd rekenen ging niet, ik kon dat niet onthouden. Ik was ook veel te snel afgeleid. Toen het cijferend mocht, werd het iets beter. Ikzelf heb de moed opgegeven toen ik ontdekte dat het geen enkel verschil maakte of ik nu mijn best deed of niet. 

Na de basisschool volgde het voortgezet onderwijs. Daar werd het niet veel beter. Rekenen werd wiskunde, maar hoe de docenten hun best ook deden: ik snapte er niet veel van. Met de hakken over de sloot ging ik over, dat dan wel. Dus ergens leerde ik wel voldoende om het te laten lijken dat ik er wel wat van kon. De docenten waren het er wel over eens: ik moest niets met rekenen gaan doen. Ook natuurkunde viel af, scheikunde liever ook. Talen waren ook al niet mijn ding want al die woordjes kreeg ik er niet in. Lang verhaal kort: ik kreeg mijn eigen vakkenpakket waarop ik een diploma kon halen. 

En dat kwam dan toch op de lerarenopleiding terecht. Leuk, met kinderen werken, ze laten ontdekken hoe leuk leren is. Door een leerkracht die zelf een hekel had gekregen aan school, leren niet leuk vond en het ook niet kon. Ik dacht namelijk dat ik dom was, terwijl ik keer op keer het tegendeel bewees. Verwarrend allemaal, vooral voor mezelf. Uiteindelijk had ik mijn hoop gevestigd op de lerarenopleiding: daar kunnen ze mij vast wél leren wat elders niet lukte. Rekenen is een belangrijk onderdeel met een hele belangrijke toets om het mee af te sluiten. Die toets heb ik nooit gehaald. Ook op de lerarenopleiding waren ze niet in staat mij te leren rekenen. Toch kreeg ik wel mijn diploma en heb jaren voor de klas gestaan. En veel kinderen leren rekenen. Hoe? Door handig gebruik te maken van wat ik wel kon en wist, door methodes die me vertelden wat en hoe én natuurlijk de kinderen uit de klas. Er zijn er altijd die het wel snappen en heel goed uit kunnen leggen aan anderen hoe het moet. Wat niet wil zeggen dat het niet aan je blijft knagen dat je voelt dat je het wel kunt, maar het er niet uitkomt. 

Anno nu kan ik prima rekenen en het uitleggen aan iedereen die het wil weten. Want nu weet ik dat ik een beelddenker ben en dat ik essentiële informatie nooit heb gehad, die ik wel had moeten hebben.


Rekenen voor beelddenkers

Het is helemaal niet zo gek dat Miranda, als beelddenker, niet zo goed was in rekenen. Beelddenkers kunnen prima rekenen maar zoals het rekenen in het onderwijs, in spelletjes en eigenlijk ook door ouders wordt aangeboden aan jonge kinderen is niet faciliterend voor jonge beelddenkers om het hoeveelheidsgevoel op gang te brengen. En zonder hoeveelheidsgevoel wordt rekenen een lastige taak om aan te leren.  

Beelddenkers leren met gevoel en moeten dus ook het hoeveelheidsgevoel gaan voelen. De meeste beelddenkers die niet kunnen rekenen, zelfs de volwassenen, hebben totaal geen gevoel bij een getal of getallen zijn vloeibaar. Dat komt omdat ze geen hoeveelheidsgevoel hebben bij getallen. De telrij opzeggen en sommen maken zijn niet voldoende om dat hoeveelheidsgevoel op gang te brengen. Gelukkig kan dat wel met hele simpele manieren: gewoon met materiaal of met de eigen vingers. De vingers hebben het voordeel dat ze goed gevoeld worden en dat je ze altijd bij je hebt. Wel belangrijk: niet tellen op de vingers maar gestructureerd rekenen met de vingers.  

Wat beelddenkers nog meer nodig hebben van het onderwijs is duidelijkheid over het geheel en de spelregels waarmee ze moeten gaan spelen. Wat zijn dan getallen, wat zijn cijfers en wat doen we ermee. Vanuit ons collectief geheugen heeft elk kind al een basisbegrip van cijfers en hoeveelheden maar hoe wij ermee rekenen is door de mens bedacht en moet dus door elk kind afzonderlijk opnieuw begrepen en aangeleerd worden. Beelddenkers moeten in hun hoofd een compleet concept opbouwen van ons getalsysteem en dat lukt niet door hele kleine stapjes aan te bieden. Door ze in klas 1 al kennis te laten maken met getallen tot 1000 krijgen ze gelijk het complete concept te zien en kunnen ze dat gaan doorgronden. Via het cijferend onder elkaar rekenen en gelijktijdig met materiaal inzichtelijk maken van die getallen hebben ze de kans om de hoeveelheden ook echt bij elkaar te doen of van elkaar af te trekken. Daarmee ontstaat er in hun hoofd een totaalbegrip van wat getallen zijn en wat je ermee kunt doen. Aanvullen tot tien, splitsen en optellen en aftrekken krijgen zo betekenis en worden logisch voor het beelddenkende brein. Op het moment dat dat dan in de lesmethode aan bod komt heeft het beelddenkende brein een kapstok om die informatie aan op te hangen. 

Hoe mooi zou het zijn als het onderwijs van de 21e eeuw de omslag zou gaan maken naar aansluiten bij het natuurlijk leerproces van alle kinderen. Als we niet alleen de taaldenkmanier van herhalen en automatiseren zouden faciliteren maar ook de beelddenkers gelijktijdig zouden stimuleren in hun eigen natuurlijke leerproces. Is dat moeilijk? Naar ons inziens niet. Het kan simpel bijgevoegd worden in de bestaande lessen omdat beelddenkers, net als taaldenkers, herhaald moeten begrijpen en ook taaldenkers niet dommer worden van een beetje extra inzicht. Er zullen wat stappen in de lesmethodes aangepast moeten worden maar die autonomie hoop ik dat u die als leerkracht durft te nemen.  


Wil je weten hoe je jouw kind kunt begeleiden naar onze visie op het onderwijs van de 21e eeuw? In ons nieuwe methodeboek hebben we de kennis uit onze kernopleiding Beelddenken samengevat in een handzaam omslagboek waarin alles kort en kracht uitgelegd staat.


Geef een reactie