Snoeiproces en gevoelige periodes
Voordat je kind aan echt leren toekomt moet het brein eerst de basaalstefuncties zoals horen, zien, lopen en praten ontwikkelen. In het eerste levensjaar is het gehoor bijvoorbeeld helemaal ingesteld op het ontleden van taal in klanken en klankgroepen. In de baarmoeder zijn deze eerste processen al een beetje op gang gekomen maar ze kunnen pas worden voltooid als een kind is geboren. Door de synaptische groei maar ook door de snoei die later volgt, ontstaat er consolidatie, vastleggen, van de functies. Je wilt niet dat je ineens niet meer kunt horen omdat het breingebied ineens werd gerecycled voor een ander hersenproces. Nee, als een functie eenmaal stabiel is, dan wordt deze functie vastgelegd en wordt de gevoelige periode gesloten en is het breingebied af en uitontwikkeld. Het kan zichzelf nog een beetje verfijnen maar de basis ligt vast en is klaar. Dat is fijn want zo leer je zwemmen en fietsen ook niet af.
De gevoelige periode voor zien is al gesloten met twee jaar, voor horen met drie tot vier jaar. Het vastleggen van dit proces wordt gewaarborgd door de myelatie van de axonen. Een jong kind kan door de nog onvoltooide myelatie tot wel vier keer trager reageren op signalen uit de omgeving. In de eerste weken na de geboorte gaat de snelheid van de doorgifte van visuele signalen van ¼ naar 1/10 [IP1] [NE2] seconde. Met het toenemen van de snelheid neemt ook het vermogen om gegevens te verwerken toe, jonge kinderen vinden dat nog heel moeilijk. Zij hebben nog moeite met het combineren van feiten en het trekken van conclusies. Kinderen hebben nog een hybride brein: een deel is al afgerond en een ander deel is nog volop in ontwikkeling. De zintuiglijke en motorische ontwikkeling lopen hierbij voorop, terwijl de executieve functies, de vaardigheden om alle dagelijkse handelingen uit te voeren, pas langzaam volgen.
Een brein heeft een beperkte hoeveelheid energie tot zijn beschikking die dus effectief ingezet moet worden. Alles wat al afgerond is, kan het brein onbewust doen. Onbewuste hersenprocessen kosten oneindig veel minder energie dan bewuste hersenprocessen dus komt er weer ruimte voor volgende groei. Vandaar dat er op school zo wordt gehamerd op automatiseren: als een handeling geautomatiseerd is, kan het brein die handeling onbewust uitvoeren waardoor er meer denkcapaciteit is voor ander zaken, het bepalen van de juiste rekenstrategie bijvoorbeeld. Een taaldenkbrein is efficiënter als je kijkt naar het energieverbruik voor het denkproces. Doordat het gemakkelijk handelingen en strategieën automatiseert bespaart het energie. Dat verschil in energieverbruik is zelfs nog aanwezig bij volwassenen. De ontwikkeling van het brein werkt ook zo. Steeds opnieuw worden er nieuwe vaardigheden geautomatiseerd: eerst kan je kind rollen, zitten, kruipen, lopen, rennen terwijl het daar nu niet meer over na hoeft te denken. Met twee jaar kosten heel veel handelingen weinig tot geen energie meer terwijl het daar de afgelopen twee jaar hard voor heeft moeten werken om dat te bereiken. Voor het automatiseren van deze functies is er geen verschil tussen beelddenkers en taaldenkers, ook beelddenkers automatiseren het lopen en praten. Ook de weg ernaartoe kost beelddenkers niet meer energie.[einde kader] [IP1] [NE2]
Brein op slot
Na de gevoelige periode zijn een aantal hele specifieke hersengebieden niet meer in staat om hun originele functie op te pakken. Voor de visuele cortex geldt dat na drie jaar de mogelijkheid voor de ogen om samen te leren werken, verloren gaat, een lui oog moet dus snel gecorrigeerd worden omdat je kind anders nooit goed diepte zal kunnen zien. Horen gaat nog sneller, na een jaar stopt het brein met het analyseren van de specifieke klanken en klankgroepen. De basis voor de moedertaal is dan gelegd. Daarna gaat het brein zich richten op zinnen en betekenissen. Talen leren op latere leeftijd wordt opgevangen door andere hersengebieden dan het hersengebied waar de moedertaal zit opgeslagen (centrum van Broca). (Deheane S. , 2020)
Het bevriezen zorgt ervoor dat we alles onthouden wat we hebben geleerd, ze vormen uiteindelijk de basis voor onze vaardigheden. Al die afgesloten processen bij elkaar vormen onze database maar ook de manier waarop wij dingen bekijken en meenemen in ons denkproces. Het vormt ons tot wie we zijn. Het zijn al onze herinneringen en vaardigheden die we langzaam maar zeker opbouwen maar het behelst ook de culturele en familiaire programmering zodat wij in onze omgeving passen en daar de algemene regels, normen en waarden over kunnen nemen. Dit proces van opbouwen is het intensiefste in de eerste acht levensjaren maar gaat daarna gewoon door, ook na je vijfentwintigste. Je bent nooit te oud om te leren.
Het aanleren van rekenen en taal gaat dus het gemakkelijkst in de gevoelige periodes. Voor kinderen met een andere ontwikkeling zijn ook de gevoelige periodes anders en heb je dus een ruimer window. Kinderen die op jonge leeftijd de basis van het rekenen niet goed aangeleerd krijgen of die vastlopen in het onderwijs, kunnen alsnog het lezen en rekenen onder de knie krijgen, maar zullen daar wel meer moeite voor moeten doen.
[kader]Naast de basisvaardigheden waar we ons niet bewust van zijn, zijn er nog zo veel andere vaardigheden die we kunnen inzetten om ons leven zin te geven en te veranderen. Vaardigheden die je nog niet bezit kun je gewoon aanleren. Dat betekent ook dat interventie bijna altijd nog mogelijk is. Ook als een kind is ontspoord, thuiszit, getraumatiseerd is of de weg kwijt: bij goede interventie kan het brein gewoon worden geherprogrammeerd. Daarvoor moet wel eerst het aangeleerde gedrag dat diep in het systeem opgesloten zit, worden vervangen door het gewenste gedrag. Maar de flexibiliteit van het brein staat toe dat middels goede interventie kinderen vrij snel de goede kant op kunnen worden gestuurd. Hoe jonger hoe beter en hoe sneller. Ligt natuurlijk wel aan wat er allemaal is misgegaan, dat moet bij de bron worden aangepakt. Neurodiversiteiten kunnen hiermee niet worden aangepakt, maar er kan zeker wel worden aangesloten bij de behoefte wat resulteert in een zo optimaal mogelijk functionerend brein. Het belangrijkste daarbij is het kind als uitgangspunt te nemen en niet ‘het systeem’. Het systeem is gericht op een gemiddeld kind met een standaard ontwikkeling. Heeft een kind ergens een afwijkende ontwikkeling dan zal ook de aanpak afwijkend zijn. Afwijkend is zeker niet slechter maar wel bewerkelijker omdat het niet met de standaard mee kan.[einde kader]
