Hoogbegaafdheid en het stress-systeem
Vooral hoogbegaafde kinderen kunnen al op jonge leeftijd beseffen dat ze niet op de juiste plek zitten. Dat het ‘systeem’ hen niet geeft wat ze nodig hebben. Hoe hoger de intelligentie des te eerder en heftiger de reactie kan zijn. Dit gevoel van onveiligheid zorgt ervoor dat het autonome zenuwstelsel op scherp komt te staan. Hoe een kind dat uit, kan heel divers zijn en is afhankelijk van de persoonlijkheid van het kind.
- Het kind kan teruggetrokken en stil worden. Er is niets meer over van het blije kind dat naar school ging
- Het kind kan thuis of op school ongewenst gedrag laten zien dat je niet herkent
- Het kind kan klagen over buikpijn of hoofdpijn. In extreme gevallen kunnen er uitvalverschijnselen optreden.
- Migraineaanvallen, vooral tijdens de schoolweek, of juist op zaterdag als reactie
- Het kind kan op zondagavond huilend in bed liggen omdat het niet naar school wil
Deze signalen kunnen al voorkomen bij heel jonge kinderen. Het kinderdagverblijf of de peuterspeelzaal kunnen al plaatsen zijn waar gevoelige kinderen zich niet zomaar happy voelen. Maar de echte vuurdoop begint pas als ze naar de kleuterschool gaan, dan wordt er echt iets van ze verwacht.
Op een kinderdagverblijf en peuterspeelzaal is er vaak nog ruimte om aan de behoeftes van een kind te voldoen. Heeft een kind toch last van de drukte van een kinderdagverblijf dan kunnen ouders ook kiezen voor een oppas aan huis of een kleinere privéopvang. Kinderen moeten wennen aan functioneren in een groep. Deze kleinere settings zijn daar uitermate geschikt voor.
Gaat een kind naar school en merk je een of meer van deze signalen op bij het kind en is er verder geen medische reden voor deze symptomen en komen ze regelmatig voor, dan kun je spreken van schooltrauma. Best een groot woord, maar toch echt op z’n plek. Bij langdurig in deze situatie zitten ontstaat er zelfs ptss. Meestal gaat het niet om één incident, maar is het een opeenstapeling van kleine stressmomenten die bij elkaar het schooltrauma veroorzaken.
- Er zijn te veel prikkels.
- Het lesaanbod past niet.
- Een leerkracht die het kind niet ziet zoals het is en wat het nodig heeft.
- Een oneerlijke beslissing van een leerkracht die niet wordt uitgesproken.
- Het besef van de onoverkomelijkheid van de situatie.
Burn-out of bore-out?
Een brein dat overprikkeld raakt, krijgt uiteindelijk een burn-out. Veel beelddenkers lopen ergens in hun leven tegen een burn-out aan. Dat kan al op heel jonge leeftijd. Dan is het brein zo druk bezig geweest met aanpassen en compenseren dat de rek eruit is. Eerst thuis tot rust komen en vervolgens weer gedoseerd naar school met passend onderwijs is dan de juiste weg. Als een persoon hoogbegaafd is, kan het ook gebeuren dat het juist te weinig prikkels krijgt. Dan heeft het last van een bore-out. Bij een bore-out zie je bijna dezelfde symptomen als bij een burn-out of bij een depressie. De zin van het leven gaat eraf, de persoon kan uitspreken dat die niet verder wil leven, heeft geen energie meer en wil de hele dag slapen. Als een brein structureel niet krijgt wat het nodig heeft, gaat het eerst protesteren. Dat kan middels opstandig gedrag, maar iemand kan zich ook terugtrekken op school en thuis opstandig worden. Of helemaal steeds stiller worden. Selectief mutisme is een extreem voorbeeld van protest. Dit ongewenste gedrag heeft lang niet altijd het juiste effect dat er aandacht komt voor de onderliggende oorzaak, waardoor de zin van naar school gaan, of het leven, steeds kleiner wordt. Een gevaarlijke situatie waarin het steeds lastiger wordt om de juiste motivatie te vinden om nog verder te gaan.
Totdat er iets verandert. Totdat er ineens weer hoop is en het besef dat het wel kan, dat er een mogelijkheid wordt geboden om aan de slag te gaan en je brein aan het werk te zetten.
Wat gebeurt er in het brein als je kind zich niet veilig voelt
Zodra de waarnemingen buiten de comfortzone komen, neemt het autonome zenuwstelsel de regie over en gaat aan de slag. Bij volwassenen, kan het denkbrein nog beredeneren of er daadwerkelijk wel sprake is van een onveilige situatie. Hoe beter jouw brein kan beargumenteren dat er niets aan de hand is, des te sneller het stresssysteem weer is gekalmeerd. Een emotie gaat in golven. Je bent even in stress, je brein beredeneert dat het allemaal wel meevalt, verzint een oplossing en de emotie ebt weg. Om dit voor elkaar te krijgen heb je je linkerhersenhelft nodig. In die breinhelft vindt het logisch denken plaats, oorzaak en gevolg. Een jong kind heeft nog niet zoveel ervaring en kan dus minder gemakkelijk beredeneren of een situatie wel of niet veilig is. Jonge beelddenkers denken nog voornamelijk met gevoel en minder met beredeneren, dat moeten ze nog leren. Dan is het nog moeilijker om je brein gerust te stellen en terug te gaan naar je originele taak. Jonge taaldenkers kunnen al gemakkelijker beredeneren en moeten juist hun gevoel nog verder ontwikkelen. Vandaar dat jonge beelddenkers gevoeliger zijn voor stress en zich sneller onveilig voelen dan jonge taaldenkers. Hoogbegaafde en hooggevoelige beelddenkers hebben daar nog sneller last van.
Om ons veilig te houden in situaties die daarom vragen heeft ons autonome zenuwstelsel een aantal middelen ter beschikking om ons te redden uit de penibele situatie. Autonoom betekent zelfstandig. Dit zenuwstelsel kan dus zelf het denkproces en de aansturing van het brein en het lichaam overnemen, zonder dat je daar bewust over na hoeft te denken.
Verschillende staten van het autonome zenuwstelsel
Ons brein regelt onze veiligheid vanuit de hypothalamus, ons vecht-of-vluchtsysteem. Dit systeem heeft verschillende veiligheidsstanden. Naargelang de omstandigheden zet ons vecht-of-vluchtsysteem ons brein in een bepaalde overlevingsstand.
Neutrale staat
Als alles rustig en normaal is dan ben je in de neutrale staat. Je ervaart emoties, zoals blijheid, verdriet, vreugde, teleurstelling, boosheid. Deze emoties gaan in golfbewegingen, maar zorgen niet voor heftige reacties. In deze staat kun je alles doen, je kunt leren, spelen, nadenken, problemen oplossen, creatief bezig zijn, moeilijke puzzels oplossen, iets nieuws leren of op je gemak een boek lezen.
Vechtstand
Op het moment dat je brein zich niet meer veilig voelt (je hoort een harde knal, iemand zegt iets waar je van schrikt, je moet een opdracht afmaken binnen een bepaalde tijd en je hebt geen idee hoe je moet beginnen, je wordt bijna aangereden door een auto), komt je brein in de vechtstand. Je brein kan nog wel functioneren maar zet je lijf al wel een beetje op scherp. Deze verhoogde stand is goed om in noodsituaties te kunnen handelen. Alle aandacht wordt op de noodsituatie gericht en je gaat op zoek naar de ‘brandblusser’.
Vluchtstand
Als de brand niet meer geblust kan worden en je weet niet meer hoe je je uit de situatie moet redden kun je alleen nog maar wegrennen. Je lijf heeft nog maar één gedachte: weg hier. Je denkhersenen hoeven niet meer na te denken en alle energie gaat naar je spieren.
Bevriesstand
Soms kan wegrennen niet. Je brein weet niet meer wat het moet doen, het kan niet meer nadenken en ook je spieren weigeren dienst. Je blijft stokstijf zitten of staan en er gebeurt niks meer in je hoofd.
Totale paniek
In de laatste fase gaat de bevriesstand over in een meer permanente staat. Als deze fase te lang duurt, ontstaat er trauma of ptss. Het brein is niet meer in staat om te beredeneren of ook maar iets te doen. Totale paniek. Je kunt iemand misschien niet eens meer bereiken. Het enige dat je nu nog kunt doen, is de persoon uit de situatie halen.
Het niet passend onderwijs of een strenge opvoeding die niet goed reageert op een overbelast autonoom zenuwstelsel kan deze bevriesstand en totale paniek veroorzaken. Ook als er ogenschijnlijk niks ernstigs is gebeurd. Meestal komt iemand eerst voor langere tijd in een vecht-of-vluchtstand. In deze stand kan iemand functioneren, maar zal niet veel van de les opnemen of kunnen oresteren. Sommige mensen functioneren in een permanente vechtstaat en hun hele systeem komt hier in evenwicht, waardoor het lichaam in een permanente staat van alertheid blijft.
Wat kun je doen om iemand weer uit deze stresstoestand te halen?
Jonge kinderen kunnen nog niet goed inschatten of een situatie wel of niet veilig is. Ook kunnen ze nog niet goed beredeneren hoe ze de situatie op kunnen lossen. Vooral beelddenkers denken veel met gevoel, waardoor ze al snel het idee kunnen hebben dat een situatie niet veilig is en dus snel in deze stressstand schieten. Door je kind op schoot te nemen en dicht bij je te houden kun je je kind door deze emotiegolf loodsen. Jonge beelddenkers kunnen nog wel heel gemakkelijk jouw gevoel overnemen. Door zelf rust uit te stralen neemt jouw kind dit gevoel over en zal het dit moment doorleven en er weer met een veilig gevoel uitkomen. Dat kan ook als leerkracht. Als jij rustig blijft als er iets gebeurt, nemen je leerlingen jouw gevoel van rust over. Het groepsgevoel doet de rest. Soms is het te snel om je kind gelijk op schoot te nemen. Dan moet het eerst even de ergste stress eruit gooien voordat het toe is aan jouw troostende arm.
Beelddenkers zijn ook extra gevoelig voor de emotie die iemand uitstraalt. Een jong kind weet echter nog niet precies te benoemen welk gevoel het is. Dit ondertitelen van de aanwezige emoties is dus heel belangrijk. Hoogbegaafde kinderen voelen nog veel meer en hun brein gaat ook heel snel een verklaring zoeken voor het ontstaan van de situatie. Hun brein heeft echter gebrekkige informatie waardoor er vaak verkeerde conclusies getrokken worden. Ook hebben ze nog niet genoeg ervaring om zelf in te kunnen schatten wat er precies gebeurd is en waar de emoties vandaan komen. Nog belangrijker dus om te achterhalen wat er in dat hoofd omgaat en welke emoties er aanwezig zijn.
Door samen met een kind de emotie te doorleven en te ondertitelen wordt de gebeurtenis verwerkt en leert een kind dat emoties er mogen zijn, dat ze niet eng zijn, dat ze erbij horen en dat ze ook weer weggaan. Als datzelfde kind weer in dezelfde situatie komt, zal het brein dit hele proces weer terughalen en niet weer direct in de stress schieten, maar vertrouwen halen uit de vorige ervaring van jouw beschermende invloed.
Opgeslagen traumastress
Zijn er onverwerkte traumamomentjes, dan noemen we dit opgeslagen traumastress. Komt een kind weer in een soortgelijke situatie dan ‘voorspelt’ het brein wat er de vorige keer was gebeurd en schiet gelijk weer in de stress. Dit noemen we een trigger: een aantal hersencellen die tegelijkertijd vuren. Datzelfde systeem gebruiken we om de tafels te automatiseren en om te onthouden van welk land Parijs de hoofdstad is. Het is dus een normale actie van de hersenen. Deze triggers kunnen heel divers zijn. Dat kan een geur zijn, een persoon maar ook een plaats. In coronatijd zag ik meerdere kinderen die spontaan in huilen uitbarstten bij het zien van het rekenboek. Op school wisten ze zich vaak wel aan te passen en in te houden, maar in de veilige setting van thuisonderwijs met papa of mama lieten ze zich gaan en kwam die opgeslagen traumastress eruit.
Deze traumatriggers stapelen zich op. Om deze triggers te neutraliseren moet je ze vervangen door een positieve ervaring. Dezelfde situatie maar met een ander gevoel, een gevoel dat het wel lukt, wel kan. Eigenlijk moet je de hersenen ‘leren’ dat ze anders moeten reageren. Ze hebben gewoon een niet-helpende reactie onthouden op een situatie. Door ze een andere reactie aan te leren, kunnen de traumatriggers worden weggepoetst. Dat klinkt simpel, maar betekent wel dat je eerst de ongewenste trigger moet lokaliseren en dat is soms erg lastig bij jonge kinderen. Als dat wel lukt, dan kun je je kind helpen om het brein te herprogrammeren, gewoon door het mee de leerkuil door te nemen, door het te laten zien dat het wél kan lezen of rekenen, door het op een beelddenkvriendelijke manier aan te leren. Geen moeilijke therapieën, gewoon laten zien dat ze het kunnen en hoe ze het kunnen.
Het autonome zenuwstelsel in actie
Wat gebeurt er dan met het autonome zenuwstelsel als het in alarmfase gaat? Daarvoor duiken we even wat dieper het brein in. In de hersenen bevinden zich een aantal organen die er samen voor zorgen dat het brein kan functioneren. Dat het kan denken, leren en reageren op alles wat er gebeurt. De belangrijkste hersenorganen zijn:

- De spiegelneuronen die informatie, zoals lichaamstaal en waargenomen bewegingen, doorgeven. Het brein reageert hierop alsof het zelf de bewegingen uitvoert en leert daarvan en kan erop reageren.
- De denkhersenen, die het lichaam aansturen en waar informatie uit het verleden is opgeslagen.
- De thalamus, waarin alle informatie uit alle zintuigen samenkomt en wordt gefilterd.
- De kleine hersenen die berekenen wat ons lijf moet doen en het vervolgens aansturen.
- De hippocampus en amygdala die samen ons actieve denkproces vormen. De hippocampus staat daarbij in verbinding met de denkhersenen, en de amygdala (ons emotiecentrum) met de hypothalamus.
- De hypothalamus, die zowel ons beloningsysteem als ons vecht-of-vluchtsysteem is.
- De hypofyse, die onze hormoonhuishouding regelt.
Als iemand gewoon aan het spelen, werken en leren is, gebeurt er van alles in het brein. Via alle zintuigen komt er informatie binnen in de thalamus. Vandaaruit wordt het actieve werkgeheugen van informatie voorzien: de hippocampus en de amygdala. Met dezelfde informatie maken de kleine hersenen ondertussen berekeningen om je lichaam aan te sturen en datgene wat je brein bedenkt uit te voeren. Alle energie gaat naar het denkproces en de uitvoering van datgene waar je kind mee bezig is. De hippocampus en de amygdala houden elkaar hierbij in evenwicht. Op de achtergrond houdt het veiligheidssysteem de boel wel scherp in de gaten of er toevallig gevaar dreigt. Als dat zo is, wordt de amygdala actiever en gaat de boel uit balans.

Op het moment dat het evenwicht zodanig omslaat naar de alarmfase geeft de amygdala een seintje naar de hypothalamus, het vecht-of-vluchtsysteem, dat er actie ondernomen moet worden. De hypothalamus geeft dat door aan de hypofyse, die vervolgens een seintje geeft aan de bijnieren. Die bijnieren maken de hormonen adrenaline en cortisol aan, zodat het lichaam op scherp wordt gezet. Deze adrenaline en cortisol heb je nodig om je lichaam in staat van paraatheid te brengen. Heel handig als je ineens oog in oog staat met een leeuw bijvoorbeeld. Kun je hard wegrennen. Of als er brand uitbreekt, kun je zo snel mogelijk op zoek naar een brandblusser. Handig.
Die stoot adrenaline en cortisol zorgen ervoor dat je hart sneller gaat kloppen, zodat het meer bloed rond kan pompen. Daardoor gaat je bloeddruk omhoog. De longblaasjes gaan openstaan zodat er meer zuurstof opgenomen kan worden door het bloed, want spieren die in actie komen hebben zuurstof nodig. Die spieren hebben ook brandstof nodig, in de vorm van glucose, en die wordt geleverd door de lever. Je maag en darmen moeten natuurlijk niet te vol zijn. Eten verteren kost energie en dat gaat ten koste van andere processen, dus we legen de darmen – diarree – en de spijsvertering wordt stilgelegd. Door de verhoogde bloeddruk stijgt de temperatuur van je lichaam, waardoor je gaat zweten. Onze hersenen gebruiken heel veel energie tijdens het denken en aangezien we nu overgaan op ons tweede brein hebben we ons denkbrein even niet nodig. De energietoevoer naar de denkhersenen wordt dus stilgelegd.

Nu is het lichaam helemaal klaar voor de strijd.
Handig, als er inderdaad een strijd te strijden is. Door fysiek te vluchten of te vechten worden de adrenaline en cortisol gebruikt. De spieren branden alle glucose op en als de gevaarlijke situatie opgeheven is, zijn alle hormonen weer uit je lijf en is er weer een evenwicht bereikt. Maar je voelt hem al aankomen: wij staan gelukkig niet zo vaak oog in oog met een leeuw of met een brandend gebouw. Ons stresssysteem ziet echter geen verschil tussen een onmogelijk te maken som, een collega die je zit te treiteren en die dreiging van de leeuw. Zodra je brein het gevoel heeft dat er gevaar dreigt, wordt jouw stresssysteem in werking gezet, de hele mikmak.
Bij jonge kinderen uit zich dat in woedeaanvallen en weglopen. Jongens zijn daarbij wat agressiever dan meisjes. Meisjes hebben sneller de neiging om weg te kruipen of om stil te worden. Jongens hebben daarbij het voordeel dat ze de energie die vrijkomt, de adrenaline, gebruiken tijdens de woedeaanval. Als de adrenaline opgebruikt is, zijn ze het kwijt. Kinderen die stil worden, slaan de niet-gebruikte adrenaline op. Deze niet-gebruikte opgeslagen adrenaline blijft aanwezig, maar is giftig voor ons lichaam. Zo wordt je lichaam langzaam vergiftigd door de stress. Vaak uit zich dat in buikpijn, hoofdpijn of zelfs verlammingsverschijnselen. Bij volwassenen uit zich dat in een burn-out. De opeenstapeling van traumamomenten worden ineens te veel en het lichaam is er klaar mee, uitgeblust.
Oudere kinderen die naar school gaan, moeten de hele dag door opgaven maken en gehoorzamen. Er wordt steeds wat van ze verwacht. Als ze aan die verwachtingen kunnen voldoen, is dat meestal geen enkel probleem en vinden kinderen het gewoon leuk om op school te zijn. Werkjes maken, iets leren, met vriendjes spelen. Als er echter steeds sprake is van overprikkeling, dan kan het wel veel van een kind vragen. Een kind weet nog niet wat het allemaal moet doen. Alles is nieuw en al die kinderen bij elkaar maken veel lawaai, zijn altijd druk en aanwezig en dan moet je ook nog eens allerlei taakjes doen. Gewoon doen zonder dat je uitleg krijgt of dat je aan jouw eigen verwachtingen kunt voldoen. Beelddenkers houden van gelijkwaardigheid, rechtvaardigheid en autonomie terwijl ze op school stil moeten zitten en moeten doen wat er wordt gezegd. Dat druist in tegen al hun principes. En dan hebben ze ook nog te maken met een ander natuurlijk leerproces waar geen rekening mee wordt gehouden. Dat alles zorgt ervoor dat een kind zich moet aanpassen en dat hun autonome zenuwstelsel in de stresstand kan schieten.
Volwassenen weten wel wat ze moeten doen maar moeten voldoen aan een maatschappij waar zij niet in passen en waar er van alles verwacht wordt waarvoor zij zich moeten aanpassen. Zij denken heel snel en diep en intuïtief en moeten zich steeds aanpassen aan het denkniveau- en de denksnelheid van hun collega’s. Ook de aard van het werk, de plek in het werksysteem dat zij innemen kan voor stress zorgen. Natuurlijk zijn er hoogbegaafde mensen die een perfecte baan hebben. Maar veel volwassenen weten van zichzelf niet dat ze hoogbegaafd zijn en hebben zich hun hele leven al aangepast en komen dus structureel te kort. Doordat ze steeds tegen hun grenzen aanlopen hebben ze niet de energie en mogelijkheid om te laten zien wat ze wel kunnen. Of ze hebben de juiste papieren niet zodat ze wel gezien worden maar alsnog de kans niet krijgen. Veel HB’ers hebben een studieloopbaan die eerst afzakt en daarna weer opbouwt. En niet elke hoogbegaafde wil cognitief bezig zijn. Het is maar net waar je interesse en waar je talenten liggen. vaak zitten ze gevangen in een baan die wel past maar die te weinig uitdaging en te weinig autonomie biedt maar wel teveel prikkels en ergernissen. Hun brein ziet constant hoe het beter kan, waar zijzelf en anderen kansen laten liggen en hoe het rechtvaardiger kan.
HB en het autonome zenuwstelsel
Hoogbegaafde mensen ervaren prikkels op een intense manier. Ze nemen intens en gedetailleerd waar en verwerken de prikkels sneller. Zo slaan ze hun ervaringen ook intens op en kunnen triggers van het autonome zenuwstelsel ook intens terugkomen. Daardoor is het heel belangrijk dat hoogbegaafde mensen leren hoe ze hun triggers kunnen herkennen en ook hoe ze hun eigen lichaamsstaat kunnen voelen en ontdekken. Door het hoge zelfbewustzijn kunnen ze daar ook al op jonge leeftijd mee aan de slag gaan, om zo hun eigen gevoelsleven in de hand te kunnen houden en zichzelf te kunnen reguleren. Dat vergt als ouder dat je je in het autonome zenuwstelsel verdiept en je kind daarin meeneemt. We noemen dit neuroceptie: weten hoe je eigen lijf ervoor staat. Als volwassene zelf kun je op zoek naar hulp maar je kunt er ook zelf mee aan de slag.
Neuroceptie is het onbewuste proces in ons brein dat continu de omgeving, ons lijf en alle andere prikkels scant op gevaar. Dus ook de prikkels in je lijf. Op basis van deze neuroceptie handelt ons autonome zenuwstelsel. Autonoom staat voor ‘zelf doen’. Het handelt dus op eigen houtje en zorgt voor onze veiligheid. Evolutionair gezien een heel belangrijk instrument, want het zorgt er ook voor dat we onze hand terugtrekken bij iets heets en dat we opzij springen als we ineens een auto op ons af zien komen. Die reflexen zijn levensreddend en zijn de oorzaak van dat wij met z’n allen met zo veel auto’s tegelijkertijd de weg op kunnen, terwijl er verhoudingsgewijs maar weinig ongelukken gebeuren. Het mooie van het hoogbegaafde brein is dat het dit proces bewust kan volgen.
Door met je gedachten naar je lijf te gaan en op zoek te gaan naar het triggerpunt kun je dat moment nog een keer beleven en er deze keer een positieve draai aan geven. Of een verklaring geven waarom het zo uit de hand liep. Zo kun je de negatieve ervaring omzetten in een neutrale ervaring of zelfs een positief leermoment.
Door de intense beleving van het brein kunnen traumamomenten ook heftiger ervaren worden en dus sneller direct vastgezet worden in het brein. Heftige traumamomenten worden vastgezet in het werkgeheugen zelf en worden getriggerd in soortgelijke situaties. Een hoogbegaafd brein associeert heel vaak en heel veel, waardoor het dus ook veel triggers kan opslaan.
Thuiszitters
Kinderen die te vaak en te lang in stressvolle situaties zitten, stemmen hun hele autonome zenuwstelsel af in een actievere stand waardoor het brein zelden in staat is om optimaal te presteren. Om te leren heb je je volle aandacht bij de les nodig en dat lukt niet als je steeds het gevoel hebt dat je niet veilig bent. Dat kun je ook niet wegredeneren, dat is een gevoel. Als het onderwijs te weinig kennis heeft van het beelddenken en dus niet precies weet wat beelddenkers nodig hebben, kan het onderwijs voor een kind als een onveilige plek voelen. Ongewild door de leerkracht, dat wel, maar daar heeft een kind geen boodschap aan. Die moet omgaan met een brein dat in actiestand staat en is dus niet in staat om in die setting te leren. Daarvoor zal het eerst weer een gevoel van veiligheid moeten krijgen. Dat kan door een kind een tijdje thuis te houden. Is dat een oplossing? Niet altijd en zeker niet permanent. Naar school gaan is meer dan leren rekenen en lezen, naar school gaan is belangrijk voor de gehele ontwikkeling van een kind. Mensen zijn groepsdieren en hebben elkaar nodig. Het is dus heel belangrijk dat kinderen leren om in een groep te functioneren. En de beste plek daarvoor is school. Belangrijk dus dat de school een veilige plek wordt voor alle kinderen.
Dus ja, het heeft zin om het onderwijs aan te passen aan de beelddenkers. Het is zelfs noodzakelijk.
Want een beelddenker die in een taaldenkende cultuur zijn plek probeert te vinden, loopt een reëel risico zichzelf kwijt te raken. Maar om nou scholen op te richten voor alleen beelddenkers, dan raken we onze identiteit als mens kwijt, want niemand is zwart-wit in hokjes te plaatsen. Er is een geleidelijke schaal van beelddenkers naar taaldenkers en zowel de beelddenkers als de taaldenkers moeten van elkaar leren en dat lukt alleen als je met elkaar leert. Maar het feit dat ons onderwijs zo toegespitst is op het in heel kleine stapjes mee door de lesstof nemen, dat tot in details is uitgewerkt, nekt 25% van onze leerlingen en dat kan niet de bedoeling zijn. Door meer in te zetten op het top-downonderwijs, geïntegreerd in het bottom-uponderwijs krijgen ook de beelddenkers een grotere kans om zichzelf te blijven en te leren volgens hun eigen natuurlijke leerproces, waardoor zij als volwaardig mens van school afkomen met al hun talenten en vaardigheden. Hoogbegaafde kinderen zijn beelddenkers met een hoge intelligentie, waardoor zij sneller opvallen. Laat deze kinderen de weerspiegeling zijn van al die andere beelddenkers die niet zomaar opvallen maar zich aanpassen en voegen naar het systeem, maar die eigenlijk niet optimaal tot ontwikkeling komen.
