Gisteren bracht vereniging voor ouders, Balans een rapport uit over thuiszitters. In dit rapport stelden zij dat er inmiddels minimaal 70.000 kinderen volledig thuis zitten en ca. 280.000 kinderen die minder uren naar school gaan. Enorme getallen, maar Natasja Esmeijer snapt wel hoe deze getallen zijn ontstaan. Esmeijer is al sinds 2012 bezig met het thema Beelddenkers. Een onderwerp dat haar aandacht kreeg toen ze ontdekte hoe anders informatie bij haar dochter binnenkwam. Daarop volgde jarenlang onderzoek en in 2020 bracht zij het boek “Beelddenken, als kwartjes vallen” uit. Twee jaar later volgde het handboek voor beelddenkende pubers “Allergisch voor moeten”.
“Waarom is het nodig dat er kennis komt van beelddenken?”
Probleem zit hem vooral in het niet erkennen van de wetenschap dat er kinderen zijn die fundamenteel anders leren: de beelddenkers. We hebben namelijk 2 hersenhelften en deze verwerken informatie op verschillende manieren. Net zoals dat jij een linker- of rechter dominante hand hebt heb je ook een dominante hersenhelft. Je hebt een taalddenkend brein en een beelddenkend brein en als bij jou het beelddenkende brein dominant is, betekent dat, dat het meer moeite kost om informatie te verwerken voor een taaldenker. Het onderwijs is berekend op taaldenkers. Zij vormen immers 80% van de bevolking, maar je ziet dus dat het andere deel ‘de beelddenkers’ op dit moment op grote schaal vastlopen.
“Wat zijn dan zoal verschillen tussen beelddenkers en taaldenkers op school?”
Een van de belangrijkste verschillen is bijvoorbeeld het automatiseren en het associëren. Een taaldenker leert door de lesstof langzaam op te bouwen, een telrij op te zeggen of door automatiseren. Beelddenkers leren door associëren. Zij hebben meer informatie nodig om het plaatje in hun hoofd compleet te krijgen. Beginnen met willekeurige letters in groep 3 is voor een beelddenker bijvoorbeeld heel verwarrend. Maar leg je een beelddenker uit dat we werken met een alfabet en dat dat alfabet 26 letters bevat die alle woorden vormen die we maken, dan kan het kind het plaatje compleet maken en vervolgens de letters afzonderlijk leren. Een ander verschil is het herhalen en reproduceren van lesstof. Voor een taaldenker helpt dit om de stof beter te verankeren. Een beelddenker kan herhalen, maar als het kind de lesstof niet begrijpt, is er nog steeds geen begrip na het herhalen.
“Bij beelddenkers wordt vaak gedacht aan meer visuele uitleg, maar als ik jou begrijp is dat niet zo?”
Het woord beelddenker geeft wel die indruk, maar het meer over het plaatje in het hoofd dat nodig is om begrip te krijgen van lesstof. Plaatjes kunnen ondersteunend zijn, maar juist ook vertroebeling geven als het beeld niet klopt met het beeld dat zich in het hoofd gevormd heeft. Daarom leg ik liever de nadruk op het associëren en de haakjes die gemaakt moeten worden om te zorgen dat de lesstof goed begrepen wordt. Ze hebben de juiste informatie nodig om te begrijpen wat ze aan het leren zijn. En dat gaan ze niet begrijpen van herhalen maar wel door uitleg. Dat gaan ze niet begrijpen door de lesstof visueel aan te bieden maar wel door het te doen met materiaal. En ze hebben bijvoorbeeld in groep 2 de uitleg van groep 4 nodig, of zelfs die van groep 6 op een manier die aansluit bij hun basiskennis. En hebben ze iets niet begrepen, dan is het nodig om in groep 8 nog weer de stof van groep 3 op een beelddenkvriendelijke manier te introduceren om de hiaten op te vullen.
“En wat kunnen scholen dan nu concreet doen om te zorgen dat er minder kinderen uitvallen?”
Het zou al een heel verschil maken als leerkrachten gaan letten op de manier waarop informatie binnenkomt bij een leerling. Zie je een leerling dagdromen of doodlen bij je uitleg? Dan is de kans groot dat de leerling een beelddenker is. Kijk of de stof al begrepen is en geef informatie uit hogere klassen om te zorgen dat het begrip vergroot kan worden. Op zo’n moment kun je ook kiezen om de automatiseren te halveren en extra verdieping te geven om de leerprikkel te houden. Is de lesstof niet begrepen? Onderzoek dan wel stukje er mist om het plaatje compleet te maken.
Met het dominantieprofiel kunnen leerkrachten en ib’ers in heel korte tijd zichtbaar krijgen op welke manier de lesstof beter binnen kan komen. Het dominantieprofiel kijkt niet alleen naar je dominante hersenhelft, maar ook welke zintuigen dominant zijn in de informatieverwerking. Op basis van dit profiel kan gekeken of visuele uitleg bijvoorbeeld helpend gaat zijn of niet. Dit profiel leren we aan het onderwijs, zodat ze het daarna zelfstandig uitvoeren. Het profiel bepalen kost ongeveer een half uur tijd en daarmee een efficiënte tool in tijden dat er veel gevraagd wordt van een leerkracht.