Een kind met ADHD, autisme, dyslexie of hoogbegaafdheid wordt vaak neurodivergent genoemd: het brein werkt anders dan wat we ‘gemiddeld’ vinden. Maar die term is minder afgebakend dan het lijkt. Want wat doen we met kinderen zonder diagnose die visueel denken, sterk associëren, intens voelen of vastlopen in het taaldenkende onderwijs? Moet daar dan ook weer een label of diagnose voor bedacht worden? Zijn die ook neurodivergent?
Is Tessa, die op school enorm vast loopt omdat ze niet alleen dyslexie heeft (volgens de diagnose), een beelddenker is én een hele prettige omgeving nodig heeft om te kunnen leren (en die steeds maar niet vindt) dan een driedubbel neurodivergent kind?
Misschien is de belangrijkere vraag niet wie neurodivergent is, maar hoe een kind leert en informatie verwerkt. Als je daarnaar kijkt, verschuift de focus van labels naar mogelijkheden. Sommige kinderen denken in beelden, anderen in taal. De een leert stap voor stap, de ander vanuit het geheel. Deze verschillen passen niet altijd bij het huidige onderwijssysteem — en dat kan vastlopen geven, zoals bij Tessa.
Meer dan labels
Een kind is nooit “dubbel” of “driedubbel” neurodivergent. Het heeft verschillende eigenschappen die samen bepalen hoe het brein werkt. Denk aan:
- manier van denken (beeld- of taaldenken)
- intelligentie
- gevoeligheid voor prikkels
- eventuele neurodiversiteiten
- gender
- introvert, extravert en andere eigenschappen
Door al deze elementen samen te bekijken (het persoonlijkheidsprofiel), ontstaat een duidelijker beeld van wat een kind nodig heeft.
Beelddenken al versterkende factor bij neurodiversiteiten
Of een kind een beeldenker of in taaldenker is, maakt een groot verschil. Het beïnvloedt hoe het leert, begrijpt, communiceert en functioneert maar ook heeft het grote invloed of hoe autisme of ADHD eruit ziet. Wat deze persoon nodig heeft om hiermee om te gaan.
Bij autisme draait veel om het aanbrengen van structuur en duidelijkheid via regels.
- Taaldenkers kunnen regels vaak oppikken door herhaling.
- Beelddenkers moeten eerst het geheel snappen voordat een regel ‘klopt’.
Voor een beelddenkend kind met autisme kan dat extra lastig zijn, omdat het brein al moeite heeft om informatie te ordenen. Daar komt vaak nog gevoeligheid bij.
De extra prikkels zorgen voor een sneller overprikkeld brein waarbij het gevoel van het eigen lijf niet altijd goed gevoeld wordt. Voor taaldenkers is gevoel op zich niet direct een component van het denkproces waardoor de overvloed aan prikkels de enige overprikkelende factor is. Beelddenkers denken met gevoel, het gevoel is altijd een onderdeel van het denkproces, dus ook voor beelddenkende autisten en dat gevoel is lastig te plaatsen als je je eigen gevoel niet goed begrijpt. Ondertitelen van gevoel is voor de buitenwereld lastiger omdat het eigen gevoel niet goed gevoeld wordt. Zo heeft het beelddenken dus een hele andere uitwerking en kun je de twee elementen van het persoonlijkheidsprofiel niet los van elkaar zien.
Wat helpt?
Om jouw kind te begeleiden moet er dus zowel aandacht zijn voor het autisme als het beelddenken, en natuurlijk ook de andere elementen. Autisme en hoogbegaafdheid komen bijvoorbeeld best vaak samen voor. Pas als je de elementen helder hebt kun je de gezamenlijke uitkomst begeleiden. Zowel alle losse elementen apart en als cocktail.
Niet één label, maar het totaalplaatje bepaalt wat werkt. Goede begeleiding kijkt daarom naar:
- hoe een kind denkt
- wat het voelt en nodig heeft
- en welke diagnoses, neurodiversiteiten, andere factoren er eventueel zijn
Pas als je die combinatie ziet — de losse elementen én de “cocktail” — kun je echt aansluiten bij het kind. Of de volwassene. Want wat voor kinderen geldt, geldt net zo goed voor volwassenen.