Breinkennis: daarom denken beelddenkers in beelden!

De term beelddenken wordt niet door iedereen hetzelfde uitgelegd. “Ik zal er ook een afbeelding bij doen, dan begrijpen de beelddenkers het ook”, is een uitspraak die ik hoorde van mijn zoon die geheel teleurgesteld thuiskwam. Zijn docent aardrijkskunde had een cursus over beelddenken gehad en wist nu precies hoe hij de beelddenkers in zijn klas erbij moest betrekken. Nou, niet dus. Beelddenkers denken  dan wel in plaatjes maar een plaatje is niet voldoende om een beelddenker te laten begrijpen. Sterker nog, zonder auditieve informatie komen ook de beelddenkers nergens. Er zijn zelfs beelddenkers die gemakkelijker via auditieve informatie leren dan via visuele informatie. Ook blinde mensen kunnen beelddenkers zijn terwijl ze zich geen enkele visuele mentale voorstelling kunnen maken. Het ‘in beelden denken’ is dan wel een eigenschap van beelddenken maar is dus niet de manier waarop zij informatie verwerken.

Beelddenken is een holistische manier van informatie verwerken die lijnrecht tegenover het taaldenken staat

Maar wat is beelddenken dan wel? Beelddenken is een holistische manier van informatie verwerken die lijnrecht tegenover het taaldenken staat. Taaldenken is dan ook niet : ‘denken via taal’ ook al gaan gedachten via verwoorden, maar een rechtlijnige manier van informatieverwerken die dus weer lijnrecht tegenover het beelddenken staat. Beide manieren van denken zijn aanwezig in elk brein, dat is zeker waar. Maar de manier waarop jouw brein het liefste denkt, jouw dominante- of voorkeurs denkmanier is wel bepalend in de eerste fase van je leven hoe jij leert lopen, praten en even later lezen, rekenen en schrijven. In die eerste periode heb je nog niet zoveel keus.

Breinontwikkeling

Ons brein maakt in die eerste fase, globaal de eerste acht jaar, een aantal overgangen mee waarbij de verschillende breinhelften aan de beurt zijn om te ontwikkelen. Dat is zo bij de beelddenkers en bij de taaldenkers. Ook hebben een meisjes- en een jongens brein een voorkeur om de linker- of de rechterhersenhelft eerst te gaan ontwikkelen. Ook dat staat los van het beelddenken en het taaldenken. Deze fases zijn nodig voor de algemene ontwikkeling van het brein. Zowel de beelddenkers als de taaldenkers leren praten met hun linkerhersenhelft, de rechterhersenhelft wordt weer door beiden gebruikt om begrip aan woorden te hangen. Zingen gaat bij iedereen via de rechterhersenhelft en lopen zal iedereen met twee hersenhelften doen. Ook daar geen verschil tussen beelddenkers en taaldenkers.

En toch gaat het gehele denkproces anders. Terwijl taaldenkers, met hun dominante linkerhersenhelft, alle informatie die ze met elkaar in verband brengen als geheel opslaan en via herhaling versterken, ‘een grasspriet is een groen plantje dat massaal bij elkaar een grasmat vormt waar je overheen mag lopen’ trekken beelddenkers alles wat ze meemaken uit elkaar en verbinden dat op onderdelen van feiten. Zo kan een grasspriet ondergebracht worden bij groen, bij ‘eten voor koeien’ bij planten, bij de tuin en bij nog heel veel andere categorieën. De speeltuin bijvoorbeeld.  Het onderlinge verband tussen de kenmerken van de grasspriet blijft wel behouden onder de noemer ’grasspriet’ maar wordt bij elke extra ervaring steeds complexer en breder met andere elementen in verband gebracht. Zo ‘automatiseren’ taaldenkers de wereld om hen heen terwijl de beelddenkers de wereld om hen heen ‘bij elkaar puzzelen’.

Doordat taaldenkers in hele feiten denken gebruiken ze alleen de relevante informatie. Het brein filtert alle informatie die niet nodig is weg. Ook het element tijd wordt toegevoegd als onderdeel van een feit zodat gebeurtenissen als geheel en in chronologische volgorde opgeslagen en teruggehaald kunnen worden. Het denkproces verloopt ook chronologisch en volgorderlijk en wordt weergegeven in taal, het verwoorden van het denkproces. Indien nodig aangevuld met een vaststaand beeld dat bij een feit opgeslagen is.

Beelddenkers gebruiken alle informatie die bij een feit horen om het beeld en het begrip van dat feit of de gebeurtenis zo duidelijk mogelijk te krijgen. Daarbij wordt informatie uit alle zintuigen samengevoegd en ook de bestaande informatie uit het lange termijn geheugen wordt opgehaald om alle onderdeeltjes van de nieuwe ervaring weer te connecten met de relevante concepten die er al waren. Deze informatie omvat beeld, geluid, smaak, geur en gevoel. De rechterhersenhelft is de zetel van het gevoel en aan elke gebeurtenis wordt gevoel gehangen en mee opgeslagen. Wat tijd is voor taaldenkers, is gevoel voor beelddenkers. Deze informatie wordt samen weergegeven in een interne mentale voorstelling die alle informatie verbindt, meestal visueel maar dat kan ook ruimtelijk of conceptueel zonder een duidelijke afbeelding. Daar kan ook innerlijke spraak bij zitten. Dat is per beelddenker en per situatie verschillend.

Beelddenkers hebben dus niets aan een afbeelding omdat alleen een afbeelding veel te weinig informatie geeft in welke context de afbeelding gebruikt moet worden. Beelddenkers moeten iets uitgelegd krijgen met zowel visuele als auditieve uitleg en het liefst door zelf te ervaren zodat ze zelf hun interne mentale voorstelling van de nieuwe ervaring kunnen samenstellen. Pas dan kunnen ze gaan begrijpen wat jij ze wilt leren. Wil jij ook meer weten hoe verschillend het brein is vormgegeven en hoe deze andere manier van informatie verwerken invloed heeft op de ontwikkeling? Volg dan ons kerndeel breinkennis. Daarin staat heel precies uitgelegd hoe ons brein leert en wat de subtiele en minder subtiele verschillen zijn tussen een beelddenk en een taaldenkbrein.


Geef een reactie