Ons huidige onderwijs is steeds meer geautomatiseerd. Als een kind naar school gaat weet je op ongeveer een week nauwkeurig wanneer het wat gaat leren. De lesmethodes die gebruikt worden hanteren een gestage opbouw van lesstof van makkelijk naar moeilijk en zijn gebaseerd op het principe dat kinderen rechtlijnig leren via herhalen en automatiseren. Gelukkig zijn er mensen bij de lesmethodes die weten dat er beelddenkers bestaan en dat die een meer top-down aanpak nodig hebben zodat er al enigszins rekening mee gehouden wordt maar dat gebeurt vooral op blokniveau. Er wordt per blok een inleiding gegeven, een lesdoel, maar echte kapstokjes waar beelddenkers hun informatie aan kunnen ophangen ontbreken. Daarvoor moet er net iets meer gebeuren met als gevolg dat veel beelddenkers net aan aangehaakt blijven of helemaal afhaken.
Wat hebben beelddenkers dan wel nodig, oftewel: hoe ziet beelddenkvriendelijk onderwijs eruit?
Laten we voorop stellen dat we de taaldenkers niet gaan vergeten. De beelddenkvriendelijke aanpak zorgt er ook voor dat taaldenkers meer uit het onderwijs halen. We hoeven dan ook niet alle lesmethodes in de prullenbak te gooien of alles over hoop te halen. Dat gaat niet maar is ook niet wenselijk. De lesmethodes zijn heel mooi opgebouwd alleen missen ze een stukje en dat stukje kun jij, als leerkracht, gaan toevoegen. Daarmee krijg je weer een stukje regie over je eigen lesprogramma terug en krijg je meer grip op al je leerlingen en meer plezier in je werk omdat jouw eigen autonomie weer de kans krijgt. Wat heb je daarvoor nodig? Ruimte en vertrouwen van je collega’s.
De knelpunten van beelddenkers zijn de andere informatieverwerking en de andere manier van opslaan van gegevens in het brein. Taaldenkers slaan feiten bij elkaar op en kunnen die als geheel weer naar voren halen. Vandaar dat ze gemakkelijk kunnen automatiseren en reproduceren. Beelddenkers trekken ervaringen en feiten uit elkaar en categoriseren op onderdelen en zien daardoor de grote samenhang tussen alle feiten. Dat betekend wel dat ze meer moeite hebben om feiten als geheel weer te reproduceren. Beelddenkers leren en antwoorden vanuit inzicht en begrip en doen dat doordat ze alles wat ze weten bij elkaar voegen. Om beelddenkers iets te leren zul je dus eerst het inzicht in het geheel moeten geven. De top van het top-down onderwijs. Dat doe je door samen te gaan brainstormen. Over wat is tijd, of wat is optellen, of wat is geschiedenis. De termen die voor taaldenkers ‘logisch’ zijn, zijn dat voor beelddenkers vaak niet. Als je ervoor zorgt dat je die termen uitlegt en een link legt met de persoonlijke ervaringen van je leerlingen dan krijgen de beelddenkers allemaal kapstokjes waar alles over tijd of alles over geschiedenis aan opgehangen kan worden. Daarna kun je dus weer met de gewone lesprogramma’s uit de voeten.
Welke grote kapstokken hebben kleuters nodig?
- Ons getalsysteem, hoe zijn getallen opgebouwd en hoe moet je ze benoemen en opschrijven
- Alles over letters. Hoeveel letters zijn er, hoe heten ze, welke vormen kunnen ze hebben en welke klanken horen erbij. En gelijk: hoe schrijf je ze. Geef ze blokjes om woorden mee te bouwen.
- Beelddenkers leren lezen vanuit woordbeelden. Goede voorbeelden zorgen voor een goede spelling.
- Maak veelvuldig gebruik van visueel materiaal om begrippen te verduidelijken.
- Hou rekening met de mogelijkheid van beelddenkers om alles van alle kanten te bekijken. Alles is relatief, ze weten altijd wel een uitzondering te verzinnen. Wees dus duidelijk op welke manier jij deze term nu bedoeld. Wees bedacht op een andere interpretatie.
Wat hebben ze nodig vanaf groep 3?
- Zorg voor een manier waarop zij deze woorden visueel kunnen opslaan. Zorg ook dat ze begrijpen wat het woord betekent en in welke context het gebruikt wordt. Pas daarna kun je met de spellingsregels aan de gang.
- Duidelijkheid in de termen van rekenen. Geef ze de spelregels en kaders van het rekenen door gelijk cijferend te gaan rekenen met materiaal. In groep 3 tot 1000, dit zorgt voor begrip van het getalsysteem.
- Maak gebruik van gestructureerd vingerrekenen zodat hoeveelheden gevoeld gaan worden. Dit kan nog niet geautomatiseerd worden zoals taaldenkers dat doen.
- Schrijven en lezen moeten hand in hand gaan.
- Geef duidelijke uitleg over het begrip tijd in aanloop naar het leren klokkijken. Neem ook meteen de indeling van de kalender enz. mee. Deze begrippen horen er ook bij.
- Blijf rekenen met materiaal. Bij elk nieuw onderwerp eerst weer met materiaal voordoen, door de leerlingen na laten doen totdat het materiaal niet meer nodig is.
- Begrijpend lezen kun je bereiken door te gaan tekenen, maar vooral ook door het niet moeilijker te maken dan het is: begrijp je wat je leest? Begrijp je wat je moet doen? Begrijp je hoe het werkt?
Door deze tips toe te passen, en door de leerlingen kennis te laten maken met meerdere manieren van leren kunnen ze van elkaar leren dat het niet altijd op dezelfde manier hoeft te gaan. Natuurlijk is het voor ieder kind belangrijk om de rekenstrategien onder de knie te krijgen en om woorden goed te gaan spellen maar de manier waarop je dat bereikt mag voor iedereen anders zijn. Door beelddenkers de kans te geven om zelf uit te vogelen hoe ze een bepaalde opdracht moeten uitvoeren geef je ze de gelegenheid om alle puzzelstukjes die ze al hebben bij elkaar te voegen. Natuurlijk moet je ze wel de spelregels en bouwblokken geven die ze daarvoor nodig hebben. De spelregels zijn daarbij de spellingsregels en de rekenstrategien in de brede zin. De bouwblokken zijn de letters, de getallen en de terminologie die wij gebruiken. Controleer ook regelmatig hoe zij bepaalde opdrachten uitrekenen en waarom ze spellingsfouten maken. Veel beelddenkers verzinnen hun eigen strategie omdat zij niet voldoende informatie hebben. Die strategieën zijn vaak omslachtig en niet efficiënt maar wel voldoende om de eerste schoolharen door te komen. Daarna zitten ze zo ingebakken dat ze maar lastig te vervangen zijn. Vandaar dat we vanaf het begin moeten zorgen dat ze voldoende informatie tot hun beschikking hebben. Deze informatie wordt in de reguliere lesmethode stapsgewijs aangeleverd.
Veel beelddenkers hebben dan ook het gevoel dat ze steeds achter de lesstof aanlopen. Eerst moeten ze het zelf maar verzinnen en komen ze er niet uit, of ze verzinnen dus zelf een manier, en vervolgens krijgen ze na een paar maanden extra informatie waardoor ze het grotere geheel gaan overzien. Maar dan is er geen tijd meer om terug te gaan naar de eerdere opdrachten. Soms komt het plaatje dan toch af, bij anderen gaat het verloren in de brij van informatie die niet is blijven hangen.
Waar komen deze verschillen vandaan?
Het brein van taaldenkers en beelddenkers is anders vormgegeven. Dat komt door de voorkeur van de hersenhelft. Taaldenkers kunnen informatie gemakkelijk bij elkaar bewaren maar zij missen de fantasie en de mogelijkheid om een vraagstuk van meerdere kanten te bekijken. Dat zouden zij meer mogen oefenen. De top-down uitleg voor de beelddenkers helpt daarmee ook de taaldenkers omdat zij gedwongen worden om meer inzicht te krijgen in de lesstof. De beelddenkers hebben het nodig om meer gestructureerd feiten bij elkaar te gaan bewaren. Om te kunnen lezen en rekenen moeten bepaalde feiten aan elkaar gekoppeld worden. Door vanuit inzicht die directe verbanden te zien en ze, vanuit begrip, te gaan toepassen ontstaan er meer hersenverbindingen die feiten bij elkaar opslaan en dat komt de beelddenkers weer ten goede in het gestructureerder nadenken. Dat is belangrijk voor de algehele ontwikkeling van alle kinderen zolang het natuurlijke leerproces maar voorrang heeft boven het aangeleerde leerproces.
*De afbeelding is gemaakt m.b.v. Copilot